Trappen en kletsen op
legerfiets
18 SEPTEMBER
2006 - VELUWE - Fietsen door regen en sneeuw, maar net zo
gemakkelijk onder de brandende zomerzon. De soldaten van het
regiment wielrijders draaiden daar in de vorige eeuw hun
hand niet voor om.
Maar het
regiment is na de Tweede Wereldoorlog opgeheven en ook de
Stichting Militaire Wielrijders heeft nu de handdoek in de
ring geworpen. De laatste reünie is achter de rug. ‘De
meesten zijn te oud geworden om zich nog voor de stichting
te kunnen inzetten’, zegt Jan van Leeuwen.
Al heeft Van Leeuwen bijna de leeftijd van 91 jaar bereikt,
hij is nog vitaal genoeg om iemand van twintig jaar jonger
jaloers te maken. ‘Ik was ook een van de actievere in de
stichting’, zegt hij zonder zich daarmee op de borst te
willen slaan. ‘Er zijn nog nu nog negentien oud-militaire
wielrijders in leven en de jongste van hen is 87-jaar. We
hebben te weinig actieve mensen meer over.’
Van Leeuwen, destijds woonachtig in Amstelveen, moest in
1934 op voor zijn dienstplicht. Of hij zelf voor het
Regiment Wielrijders had gekozen? ‘Nee hoor’, antwoordt de
Ermeloër. ‘Ik had tijdens de keuring de marine opgegeven.
Maar ik moest opkomen bij de Wielrijders. De dienstplicht
was toen negen maanden. Ik ben afgezwaaid, maar ik heb me
een jaar later toch weer vrijwillig aangemeld.’
De vrijwillige militair werd onderofficier bij de
wielrijderseenheid. ‘Je had kost en inwoning en een soldij
van 3 gulden per week. Later werd dat 5 gulden. Zo slecht
was dat toen nog niet.’
Op de fiets dienst doen in het leger beviel de jonge Van
Leeuwen wel. Eenvoudige stevige fietsen, geen versnellingen,
geen superlichte aluminium frames. ‘En geen remmen’, vult
Van Leeuwen aan. ‘Het waren doortrappers. Als je wilde
remmen moest je op tijd tegendruk op de pedalen gaan geven.
‘En aan de linkerkant bij het achterwiel was een
opstapplankje bevestigt. Als dan het signaal van de trompet
klonk zetten we allemaal tegelijk aan en ging iedereen
tegelijk in het zadel.’
Van Leeuwen weet nog goed dat er veel aandacht werd besteed
aan de fietstraining. ‘We gingen regelmatig afstanden van
zo’n 40 kilometer fietsen. En dan eenmaal per lichting
maakten we een mars van zo’n 120 kilometer. ‘Dan gingen we
dag en nacht door. Vertrokken we ’s middags om een uur of
vier en waren we de volgende dag tegen drie uur ’s middags
terug. Elk uur pauzeerden we even. Daarbij mochten we de
uitrusting even afhangen. Want je had je koppel om en een
bandelier en een karabijn op je rug. Dat kwam er allemaal
bij.’ Maar hij denkt er nog steeds met plezier aan terug:
‘Ik vond het een prachtige dienst. Zeker in het voorjaar en
de zomer. Reed je tijdens de marsoefeningen met zijn tweeën
naast elkaar trappen, honderduit kletsen. Dat was heerlijk.’
Geen fiets
Zijn verhaal brengt nog een opvallende anekdote voort.
‘Weet je dat we nooit fiets mochten zeggen? Wij maakten
gebruik van een rijwiel en als we dat wilden afkorten zeiden
we gewoon ‘wiel’. Waarom we nooit fiets gebruikten weet ik
eigenlijk niet. Het was eenvoudig niet toegestaan. Sergeant
Van Leeuwen was in 1940 gelegerd in Eindhoven, ook in de
nacht van 9 op 10 mei. ‘Ik was die nacht wachtcommandant.
Het was een onrustige nacht. Over de telefoon kwam toen het
bericht van de Duitse inval, ik weet niet meer van wie, maar
ik heb toen de hele zaak gealarmeerd.
De wielrijders moesten naar Zuid-Holland waar zware
gevechten woedden. En dus vetrokken ze de volgende dag op de
fiets. Van Leeuwen was ingedeeld bij een eenheid die het
pantsergeschut bediende en volgde met de auto de fietsende
troepen. ‘Maar dat ging niet hard. We bleven achter de
wielrijders en volgden op die snelheid.’
Tijdens de dagen van strijd was Van Leeuwen gestationeerd
bij Alblasserdam, waar een brug over De Noord moest worden
verdedigd. Op zichzelf lukte dat, maar de capitulatie maakte
aan alle krijghandelingen een eind.
Na de demobilisatie dook Van Leeuwen onder en werkte
gedurende de oorlog op een boerderij in Diepenheim. Hij deed
dat onder een andere identiteit en kon daarmee zelfs een
agrarisch gerichte avondopleiding volgen.
Na de oorlog meldde Van Leeuwen zich weer bij de Landmacht.
Die stuurde hem naar Schotland waar hij een instructeurs
opleiding volgde en soldaten moest leren hoe ze met de
moderne wapens van Britse makelij moesten omgaan.
Indonesië
Daardoor liep hij wel een uitzending naar Indonesië mis.
‘Dat vond ik eigenlijk jammer, want dat had ik toch wel
willen meemaken. Maar Defensie wilde mij als instructeur
niet kwijt.
Van Leeuwen werd na de oorlog gelegerd in Ermelo en daar is
hij tot zijn militaire pensioen als instructeur blijven
werken. Kapitein Van Leeuwen ging in 1972 met pensioen, het
jaar waarin ook de Stichting Militaire Wielrijders werd
opgericht. Het leger had intussen afscheid genomen van het
rijwiel en onder de oud-wielrijders was een grote behoefte
om regelmatig bij elkaar te komen.
Van Leeuwen deed mee. De stichting organiseerde regelmatig
een reünie van de oud-wielrijders. Eerst op de Isabella
kazerne in Den Bosch en later op museumpark Harskamp, waar
ook het Infanteriemuseum en het museum van het Regiment
Wielrijders is gevestigd.
Ook nu de stichting is opgeheven zet Van Leeuwen nog een
aantal keren per week in voor het wielrijdersmuseum. Want
stilzitten, dat is niets voor de negentigjarige. Fietsen is
altijd een lust in zijn leven gebleven. Al heeft het
primitieve rijwiel van toen plaatsgemaakt voor een moderne
tweewieler van Hollandse makelij met alles erop en eraan.
‘Ach’, besluit van Leeuwen. ‘Ik mag nog steeds graag een
stukje fietsen. Bijvoorbeeld richting Putten en dan terug
via de Arnhemse Karweg. Maar ritten van een 10 tot 20
kilometer hoor. Verder weg ga ik niet meer.
Voor de laatste keer is deze maand een bijeenkomst gehouden
van voormalig wielrijders uit het Nederlandse leger. Er
komen geen nieuwe reünies meer in museumpark Harskamp. De
voormalige strijders voelen dat de jaren gaan tellen en ook
hun aantal neemt steeds verder af. Tijd om een punt te
zetten achter een bijzondere periode, erkent de 90-jarige
Ermeloër Jan van Leeuwen. ‘Maar het was een mooie tijd.
|