|
Een project van de Academie voor Edelsmeden Ben van Helden te Zeist |
|
|
|
Edelsmederij Brom 1856-1961 |
|
VOORWOORD
|
|
|
|
DE EERSTE JAREN; GERARD BARTEL BROM |
|
|
Gerard
Bartel Brom naast de verguld koperen expositietroon voor de kerk in
Oud Ade.Gerardus Bartholomeus Brom werd geboren op 24-8-1831 te Amersfoort en is gestorven op 29-3-1882 te Utrecht. Hij kreeg met zijn echtgenote Johanna Catharina Kok twaalf kinderen, waaronder Jan Hendrik die later zijn atelier voor edelsmeden overnam. Gerard Bartel werkte als koperslager bij de firma Van Kempen in Utrecht en was bekwaam op het gebied van metaalbewerking. Hij begon een eigen atelier in 1856 aan de Springweg in Utrecht. Het was een werkplaats die geleidelijk veranderde in een kunstwerkplaats. Dit is het fundament voor de latere Edelsmidse Brom. Van origine maakte Gerard profaan werk, maar beïnvloed door mgr. G.W. van Heukelem en met opdrachten van de kerk in het vooruitzicht sloeg hij een nieuwe weg in. Kerkelijk vaatwerk waarin de negentiende-eeuwse katholieke emancipatie en het religieus reveil gestalte kregen, stond centraal in het atelier van Gerard Bartel.Van Heukelem was de oprichter van het Sint Bernulphusgilde in 1869, waar Gerard Bartel lid van werd. Dit gilde (vernoemd naar de bouwlustige bisschop Bernold uit de elfde eeuw) werd van belang toen niet alleen geestelijken maar ook kunstenaars en architecten lid konden worden. Het gilde speelde een grote rol met name in Utrecht bij de bouw en inrichting van kerken. De voorgeschreven bouwstijl was een conservatieve variant van de neogotiek ( De Utrechtse School). |
![]() Gerard Bartel Brom naast een reliek- of kaarsenhouder De beeldende kunst binnen het gilde werd gemaakt naar voorbeeld van middeleeuwse kunstwerken die vanaf 1872 tentoongesteld werden in een museum aan de Utrechtse Nieuwegracht. Dit museum heet later het Museum Catharijneconvent. Leden van het gilde hadden een monopolie voor de bouw en inrichting van kerken in Utrecht. Andere leden van het gilde waren onder andere architect Alfred Tepe, beeldhouwer Friedrich Wilhelm Mengelberg en orgelbouwer Michaël Maarschalkerweerd. Een goed bewaard voorbeeld van de neogotische stijl met rijke inventaris gemaakt door leden van het gilde is de Willibrordkerk aan de Minnebroederstraat in Utrecht. Gerard Bartel en ook zijn zoon Jan Hendrik maakten hiervoor meerdere stukken. Helaas is het archief van Gerard Bartel Brom zelf verbrand in de Tweede Wereldoorlog. |
Kelk op ronde voet met graveerwerk en medaillons met gedreven voorstellingen van o.a. Abraham en Melchisedek, met nodus in bladvorm (1892) |
Ampul,
kristal verticaal gefacetteerd, verguld montuur met draakje (1882) |
|
|
| Gerard Bartel Brom werd benaderd door pastoor Gerardus Wilhelminus van Heukelum (1834-1910) om zich aan te sluiten bij het door hem opgerichte Sint Bernulphusgilde. Deze priester was toen kapelaan van de Sint-Catharinakathedraal te Utrecht. Hij had uitgesproken ideeën over kerkelijke kunst én werd in 1868 artistiek adviseur van aartsbisschop Andreas Schaepman.Het Bernulphusgilde was een Nederlandse vereniging die op 1 december 1869 werd opgericht, in eerste instantie met als doel bij geestelijken interesse te wekken voor kerkelijke kunst en architectuur door excursies en de uitgave van het tijdschrift Het Gildeboek. Het gilde werd vernoemd naar de elfde-eeuwse bouwlustige Utrechtse bisschop Bernold (ook wel Bernulphus genoemd).Hoewel het gilde leden had in heel Nederland speelde het vooral in de provincie Utrecht, en in mindere mate in andere delen van het aartsbisdom, een belangrijke rol bij de bouw en inrichting van kerken. Leden van het gilde, veelal kunstenaars die Van Heukelum uit het Rijnland had laten overkomen, conformeerden zich aan bepaalde stijleisen en verkregen hierdoor belangrijke opdrachten.De stijl van het gilde werd afgeleid van de gotiek, omdat vele deze zagen als de zuiverste vorm van kerkelijke kunst en architectuur. Ook het romantische ideaal van de kunstenaar, die slechts ter ere van God werkte, paste hierin. De stijl die door het gilde werd gehanteerd heette dan ook ‘neogotiek’. De neogotiek suggereert de onmeetbare verte en de onpeilbare hoogte. Vooraanstaande leden-kunstenaars waren de architect Alfred Tepe, die in de provincie Utrecht vrijwel het monopolie op de bouw van nieuwe katholieke kerken kreeg, de beeldhouwer Friedrich Wilhelm Mengelberg, die samen met zijn atelier hoofdverantwoordelijk was voor veel van de inrichtingen, de edelsmid Gerard Brom en orgelbouwer Michaël Maarschalkerweerd. Goed bewaarde voorbeelden van kerken die volgende ideeën van het St. Bernulphusgilde werden gebouwd en ingericht zijn de Willibrordkerk te Utrecht en De Krijtberg in Amsterdam |
Detail
van de verguld-zilveren keten van het St. Bernulphusgilde
vervaardigd in Edelsmederij Brom te Utrecht Geexposeerd in de Kon.
Academie van Beeldende Kunsten te Londen, 1907. |
|
FRIEDRICH WILHELM MENGELBERG |
| Friedrich Wilhelm Mengelberg, kerkelijk beeldhouwer (Keulen, 18.10.1837 - Utrecht, 6.02.1919). Mengelberg stamde uit een familie die reeds verscheidene kunstenaars had voortgebracht. De familie was protestant, pas op zijn 18e ging Mengelberg tot het katholicisme over. Het is zeer goed mogelijk dat zijn belangstelling voor de middeleeuwse kunst hierbij invloed heeft gehad. Hij werd opgeleid in Keulen, waarin ook de middeleeuwse kunst en in het bijzonder de gotiek in het lesprogramma was opgenomen. Dit zou voor Mengelberg van groot belang blijken te zijn.In 1868 vervaardigde hij een bisschopszetel voor de RK Sint Catharinakathedraal in Utrecht. Dit werkstuk werd zo goed ontvangen dat Mengelberg door van Heukelum (toen kapelaan van genoemde kathedraal) werd uitgenodigd zich in Utrecht te vestigen. Van Heukelum richtte in 1869 het gilde op en voor de praktische verwezenlijking van zijn denkbeelden had hij mannen zoals Mengelberg nodig.Mengelberg vestigde zich in Utrecht en woonde daar vanaf 1872 tot aan zijn dood aan de Maliebaan in een door Tepe gebouwd huis, die eveneens zijn buurman was. |
Beelden
door F.W. Mengelberg boven de ingang van het voormalig St. Joannes
de Deo mannenziekenhuis, thans deel van het conservatorium van
Utrecht aan de Mariaplaats, uit 1896.Mengelberg was als kunstenaar een typische vertegenwoordiger van de internationale katholieke neogotische beweging. Zijn Duitse afkomst en achtergrond bleef hierbij van groot belang. Ofschoon hij het grootste deel van zijn leven in Nederland woonde, is hij nooit volkomen Nederlander geworden en heeft hij zich ook de Nederlandse taal niet geheel eigen weten te maken. De kunst die Mengelberg voor ogen stond, moest dienstbaar zijn en kan in die zin als gemeenschapskunst worden opgevat. In die opvatting past het ook dat het atelierwerk in zekere zin anoniem blijft, wat geheel in de tradities van vroegere kunstateliers past. Nochtans werd ook Mengelberg beïnvloed door de kunstenaarsopvattingen van zijn tijd, die hem ertoe brachten op onmiddeleeuwse wijze veel van zijn werk te signeren, ook als zijn eigen aandeel eraan maar bescheiden was geweest.Zijn Utrechtse atelier was in het begin slechts bescheiden van omvang, doch het groeide snel wegens succes. Ateliers voor kerkelijke kunst waren aan het eind van de negentiende eeuw zeer talrijk, en de concurrentie tussen deze instellingen was dikwijls fel. Mengelberg stak echter met zijn atelier kwantitatief, maar vooral ook kwalitatief boven velen van zijn collega's uit. Hij kon zich gesteund weten door een tamelijk duidelijk artistieke doctrine en door veel geestelijken, terwijl hij beschikte over zeer bekwame medewerkers. Daardoor kon hij als weinigen visueel gestalte geven aan de religieuze opvattingen van zijn tijd. |
|
WILHELM VICTOR ALFRED TEPE, |
Nederlands architect (Amsterdam,
24.11.1840 – Düsseldorf 23.11.1920) Middenschip
met uitzicht op het hoogaltaarTepe werd geboren in Amsterdam als zoon van een Duitse textielhandelaar. Hij studeerde architectuur aan de Bauakademie in Berlijn, waar hij ontevreden was over de sterk op het classicisme gerichte opleiding. In zijn vrije tijd bestudeerde hij het werk van E.E. Violett-le-Duc, de Franse expert op het gebied van gotische architectuur. Van 1865 tot 1867 werkte Tepe in Keulen. Hij werkte voor één van de voornaamste architecten van de neogotiek en werd zo betrokken bij de restauratie en afbouw van de Dom. Hierna vertrok Tepe weer naar Amsterdam waar hij in 1870 door van Heukelum werd benaderd om naar Utrecht te verhuizen en zich aan te sluiten bij het Bernulpusgilde . Van Heukelum vond dat de Nederlandse kerkbouwkunst zich moest baseren op de Nederijnse gotische baksteenkunst van de 14de en 15de eeuw. Tepe was zijn man en hij bezorgde hem zijn eerste kleine opdrachten, zoals dorpsschooltjes en pastorieën, in en rondom Utrecht. Naar middeleeuws model werkte kerkarchitect Tepe steeds samen met zijn collega-kunstenaars uit het Bernulphusgilde. Zij leverden met hun kerken steeds een Gesamtkunstwerk, een totaalkunstwerk af.Tepe was, als leidende architect van het gilde, de aanvoerder van een duidelijk herkenbare richting binnen de Nederlandse neogotiek, een richting die overgenomen werd door vele anderen. Deze neogotiek die dus sterk geïnspireerd was op de nederijnse gotiek staat ook bekent onder de naam Utrechtse schoolTepe bouwde in Nederland ruim 70 kerken en daarnaast diverse andere katholieke bouwwerken, waarvan een belangrijk deel in het aartsbisdom Utrecht staat. Tepe’s kerken kenmerken zich door een vaak eenvoudige maar rijzige bouwstijl, waar mogelijk met een westtoren en bijna altijd driebeukig uitgevoerd, zelfs heel kleine kerken. Ornamenten bracht Tepe in de meeste gevallen niet aan. Zelfs luchtbogen paste Tepe zelden toe.Vanaf ongeveer 1900 bouwde Tepe ook enkele kerken in Duitsland. In 1905, toen opdrachten in Nederland uitbleven, verhuisde hij naar Düsseldorf waar hij in 1920 overleed. |
|
|
|
|
|
JAN HENDRIK BROM GAAT VERDER |
|
|
Jan
Hendrik slaagde er in de Edelsmidse Brom verder uit te breiden en
verwierf bekendheid in Europa en daarbuiten. Hoewel het specialisme in neogotische stijl de Edelsmidse Brom grote bekendheid en roem had opgeleverd in zowel binnen- als buitenland, ontwikkelde Jan Hendrik een volledig eigen stijl, die voor die tijd modern te noemen was. Het loslaten van de gotische stijl vond plaats rondom het jaar 1900. In dat jaar keurde de Franse regering Jan Hendrik Brom het Legioen van Eer waardig, dit naar aanleiding van Brom´s inzending op de Wereldtentoonstelling. |
De
verguld zilveren kelk die in 1907 in Aken met een prijs werd
bekroond is een mooi voorbeeld van de moderne stijl van Jan Hendrik.
Deze stijl van Jan Hendrik getuigde van een fijne smaak en
technische perfectie, een combinatie die grote bewondering
opleverde. Jan Hendrik was bestuurslid van Genootschap Kunstliefde.
In het beroep van de kunstsmid die Jan Hendrik was, werden de taken
van een architect, beeldhouwer en schilder verenigd. Hoewel in het
begin van zijn loopbaan het werk van Jan Hendrik conventioneel te
noemen was qua stijl en vormgeving, waren de meeste werken voorzien
van een opvallend detail.
De stijl van Jan Hendrik kenmerkt zich door eenvoud, expressieve
figuren en gevoel voor verhoudingen. Bewust of niet, het was heel
verstandig dat Jan Hendrik zijn stijl pas wijzigde nadat hij
ongeveer 20 jaar leiding gaf aan Edelsmidse Brom. Anders had de
firma nooit zo groot kunnen groeien. Immers, vader Gerard Bartel was
degene die de firma op de kaart zette en de werken van de firma
werden geroemd om hun stijl en vakmanschap. Bovendien was de vraag naar neogotisch werk, specifiek kerkelijke kunst, groot. De Rooms Katholieke kerk zou toen nog niet klaar geweest zijn voor het modernere werk van Jan Hendrik. In een artikel in Ons Maandblad over ‘Onze Nederlandse Goud- en Zilversmederij en het Moderne Bijou’ van februari 1918 kwamen de belangrijkste internationale ontwikkelingen van het voorgaande decennium aan de orde. Grote waardering werd gelegd bij sieraden van inmiddels wijlen Jan Hendrik Brom. Duidelijke foto’s zijn in die tijd helaas een schaars goed. Waarschijnlijk maakte hij voornamelijk sieraden in opdracht voor persoonlijk en ‘de dames welgevallig’ werk, waarin altijd een duidelijke boodschap verwerkt was. Betekenisvolle sieraden zijn niet in museale collecties bewaard gebleven. Wellicht hebben zijn tijdgenoten Zwollo Sr., Eisenloeffel en Nienhuis een grotere bijdrage geleverd aan de verdere ontwikkelingen van het Nederlandse Sieraad. Na het overlijden van Jan Hendrik in 1915 werd de leiding van Edelsmidse Brom overgedragen aan zijn zonen Jan Eloy en Leo Hendrik. |
![]() Koorhek, Kathedraal Basiliek Sint Bavo te Haarlem (1898) |
![]() Kelklepel met gedraaide steel eindigend in krul met bladmotief (1889) |
![]() Ciborie met op iedere lob een medaillon met heilige en op de voet drie wapenschilden (1904) |
Boekomslag,
met op band Christus als Pantocrator, afkomstig uit parochie H.
Willibrord te Utrecht (1901) |
Fontein
met bronzen beeld Hugo Wstinc, Kruisgang van de Domkerk te Utrecht
(ontwerp door Jan Hendrik, gereed omstreeks 1915) |
|
ENORME GROEI O.L.V. JAN ELOY EN LEO BROM |
|
|
Joannes
Gerardus Josephus Eligius (Jan Eloy) Brom werd geboren in Utrecht op
23 augustus 1891. Hij volgde opleidingen aan de Polytechnis School
of Arts in Londen, de Königliche preussische Zeichenakademie in
Hanau en de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam. In
1928 werd hij conservator van het Aartsbisschoppelijk Museum (het
huidige Museum Catharijneconvent).
Jan Eloy Brom kreeg na de dood van zijn
vader Jan Hendrik Brom samen met zijn broer, de edelsmid Leo Brom,
de leiding over de door zijn grootvader Gerard Bartel Brom in 1856
gestichte werkplaatsen voor edelsmeedkunst. Samen met hun zuster
Joanna Brom en Jan Eloy's echtgenote Hildegard Brom-Fischer hebben
ze de weg van hun vader voortgezet en het atelier laten uitgroeien
tot een toonaangevende werkplaats voor modern kerkelijk vaatwerk. De
gebroeders Brom moderniseerden het bedrijf, breidden het uit en
maakten er een moderne onderneming van, met meer dan vijftig mensen
in dienst en met internationale contacten binnen en buiten de kerk.
Ze produceerden zelfs voor Latijns Amerika en de Verenigde Staten.
|
Op
de fontein in het midden van de pandhof van de Dom zit een
schrijvende kanunnik. Hij stelt Hugo Wstinc voor, de rechtsgeleerde
die in 1342 het rechtsboek van de Dom samen heeft gesteld. In 1915
maakt de edelsmid Jan Eloy Brom het beeldje op de fontein |
Jan
Eloy Brom won de gouden erering in Duitsland (1953), de hoogste
onderscheiding voor edelsmeedkunst |
|
|
In
opdracht van koningin Wilhelmina maakte Jan Eloy in 1947 een
erezwaard voor generaal Dwight D. Eisenhower die werd geschonken
door het Nederlandse volk als symbool van dankbaarheid voor de
bevrijding van Nederland na de Tweede Wereldoorlog. Het erezwaard voor Generaal Eisenhower is een staaltje van kunst en vakmanschap tegelijk. Bij het maken van het zwaard stonden concepten als harmonie, vormen en kleuren centraal. Deze elementen werden bereikt met de goede combinatie van goud, zilver, 246 Braziliaanse turmalijnen en 194 parels van verschillende afmetingen. Naast de moderne technieken maakte ze bij het vervaardigen van dit kunstwerk gebruik van de traditie van de edelsmederij geschiedenis. Opmerkelijk aan beide laten is het feit dat er verschillende zwaarden op staan. Blijkbaar is het eerste ontwerp niet uitgevoerd. |
|
|
Leo
Hendrik Maria Brom werd op 8 mei 1896 te Utrecht geboren als tweede
zoon uit het huwelijk van Jan Hendrik Brom en Agatha de Charro. Als
telg uit een katholiek gezin waar al twee generaties vakkundig en
zeer hoogwaardig smeedwerk werd geproduceerd volgde hij
verschillende opleidingen die in het verlengde lagen van het bedrijf
van zijn opa en vader. Eerst ging hij naar de kunstnijverheidsschool
te Utrecht. Vervolgens ging hij naar Brussel waar hij de St.
Lucasschool volgde. Er werden destijds verschillende
Sint-Lucasscholen opgericht voor architectuur en kunstambachten.
Onderwijskundig stonden de Sint-Lucasscholen onder invloed van het
gedachtegoed van Jean-Baptist Bethune. Vanuit esthetisch oogpunt
waren het centra van Neogotiek. Na zijn opleiding in Brussel vertrok
Leo Brom naar Amsterdam, waar hij studeerde aan de Rijks-Academie
van Beeldende kunsten. Deze academie is in 1870 opgericht door
Koning Willem III en is de opvolger van de Koninklijke Academie
(19de eeuw), de Stads Teekenacademie (18de eeuw) en de Konstkamer
(17de eeuw). In het verleden waren kunstenaars als Berlage, Piet
Mondriaan en Karel Appel verbonden aan deze Rijksacademie. Leo Brom
zelf had ondermeer les van Bart van Hove en Carel Dake. Naast deze
opleiding deed hij veel praktische kennis en vaardigheden op in het
atelier van zijn vader en in verschillende ateliers in Brussel en
München. Zodoende verwierf hij zich een grondige kennis van het
edel- en goudsmid ambacht. |
Het
huis en atelier aan de Drift nr. 15 te Utrecht.
Toen Leo Brom 19 jaar oud was overleed zijn vader Jan Hendrik Brom, en nam hij samen met zijn broer Jan Eloy de leiding over de door zijn opa Gerard Bartel Brom gestichte werkplaatsen voor edelsmeedkunst. Ook zijn zus Joanna en de vrouw van zijn broer, Hildegard, waren werkzaam in het familiebedrijf. Gezamenlijk bouwden zij het atelier aan de Drift in Utrecht uit tot een toonaangevende werkplaats voor modern kerkelijk vaatwerk met 50 man personeel in dienst. Naast de religieuze kunstvoorwerpen produceerde zij ook andere kunststukken. |
Wapenschild
van de stad Amsterdam aan het Philip Kohnstammhuis door Leo Brom.
Enkele grote bekende werken van Leo Brom zijn het Reliekschrijn van H. Ludger wat hangt in de St. Ludgerkapel in Utrecht, en de wapenschilden Amsterdam en Nederland (ca.1958) die hangen aan het Kohnstammhuis in Amsterdam. Ook in samenwerking met zijn broer maakte hij stukken zoals het Willibrordschrijn wat in Utrecht in de Catharijnekerk te bewonderen is, en verschillend ander kerkgerei. Leo Brom en zijn broer waren uiterst vakkundige kunstenaars en hebben als enige (tweemaal) de hoogste onderscheiding in de edelsmeedkunst ontvangen, te weten de Grand-Prix |
|
Naast het smeedwerk was Leo ook verzamelaar van oude en nieuwe beeldende kunst, lid van het dagelijks bestuur van het Genootschap Kunstliefde te Utrecht en schreef hij verscheidende stukken over vakgebied en kunst. Voor studiedoeleinden was hij herhaaldelijk in Europa op reis en bezocht hij landen als Frankrijk, Duitsland, Italie, Engeland en België. In 1935 reisde hij door Zuid-Amerika, waar hij in verschillende steden o.a. in de universiteit van Bogota, Colombia voordrachten hield over de Nederlandse goudsmeedkunst. Zo ontpopte hij zich niet alleen tot befaamd en bewonderd edelsmid, maar ook tot kunstkenner. Zijn werken zijn verspreid in Europa, Zuid- en Noord-Amerika, Indië en Australië terug te vinden. Door eigenaar te worden van de Kantharos van Stevenweert die Leo Brom voor 125 gulden kocht en waarvan de waarde later als onschatbaar werd beoordeeld, werd hij ook bekend en misschien ook wel wat berucht. |
![]() De Kantharos van Stevenweert |
| Hoe zuiver hij deze koop was aangegaan werd in twijfel getrokken. Door de vorige eigenaren is toen een rechtszaak begonnen tegen Leo Brom, die zich heeft weten voort te slepen tot de Hoge Raad, maar die uiteindelijk in het voordeel van Leo Brom is beslecht. In 1951 is er een publicatie van Leo Brom verschenen waarin hij de uitzonderlijke waarde van de Beker op overtuigende wijze voor het voetlicht brengt. In 1965 Overleed Leo Brom en werd het archief van de edelsmidse ondergebracht bij het Katholiek Documentatie Centrun in Nijmegen |
JOANNA BROM |
Joanna
Wilhelmina Francisca Paula Brom geboren te Utrecht op 8 november
1898. Zij was de dochter van Jan Hendrik en zus van Jan-Eloy en Leo.
Joanna begon rond haar 30ste met haar werk nadat ze eerst een aantal jaren samen met haar moeder voor het huishouden en de jongere kinderen had gezorgd. Ze bezat een talent voor tekenen en handvaardigheid. Haar broer Jan-Eloy stimuleerde haar om een opleiding tot emailleerkunstenaar te volgen. Dit deed zij aan de vakafdeling van kunstnijverheids-scholen te Salzburg, Wenen, Berlijn en Leipzig. Hierna ging ze het vak uitoefenen in dienst van haar familiebedrijf |
Joanna
Brom aan het werk in haar atelier op Drift 15 te Utrecht, waar in en
achter het ouderlijke huis de Edelsmidse Brom gevestigd was tot
1962.Zo raakte ze bevriend met kunstnaaldwerkster Hildegard Fischer, die later trouwde met Jan Eloy Brom. Hildegard werd naar Nederland gehaald om in het atelier kerkelijk borduurwerk te maken. Korte tijd werkte zij samen boven de Amsterdamse galerie en winkel het St.Bernulphushuis van de gebroeders Brom. Toen deze sloot werkten en woonden ze beiden in Utrecht. Joanna werkte voornamelijk in de email-cloisonné stijl. Bij deze techniek wordt de tekening gevormd door metalen strips te solderen op een metalen ondergrond en de ontstane vakjes met email te vullen. Ze maakte voorstellingen van mensfiguren, dieren en bloemen (meestal met een verhalende religieus karakter). Het metaalwerk van Joanna is wat uitstraling betreft verwant aan de middeleeuwse kostbaarheden. De meeste opdrachten kwamen via haar broers en waren van religieuze aard. |
|
Een bekend religieus werk van Joanna is
het Missale Romanum. De achterzijde van dit boek is belegd met op alle hoeken rondgeslepen turkooizen. Deze zijn verbonden met een band van filigrain van golven met kleine visjes erop. De voorstellingen tussen de kruisarmen heeft Joanna gemaakt. Deze stellen de geboorte van Christus, de kruisiging met Maria en Johannes, de Verrijzenis en de Hemelvaart voor. Met daarnaast de teksten uit de Liturgie en het Credo. Dit boek ligt in de kluis van het St.Jozefparochie in Achterveld. |
Maar zij
werkte ook mee aan het erezwaard van Generaal Eisenhower, dat door
Jan Eloy Brom werd gemaakt in opdracht van Majesteit Koningin
Wilhelmina en geschonken door het Nederlandse volk als symbool van
dankbaarheid voor de bevrijding van Nederland na de Tweede
Wereldoorlog |
![]() ![]() Joanna
maakte ook profane voorwerpen bv. servetringen, handspiegel en
sieraden |
|
In de catalogus van een van haar eerste
exposities, in 1935 in Utrecht, met haar schoonzuster Hildegard Brom
bij “voor de kunst” staan sieraden uit de jaren 1932-1935. Haar
decors van profane voorwerpen zijn naturalistisch en niet vernieuwd,
maar bezitten door de techniek eenzelfde primitieve uitstraling als
de religieuze voorstellingen. Dat Joanna als vakvrouw werd
gewaardeerd, blijkt uit haar lidmaatschap van de V.A.N.K. (Vereeniging
van Ambachts- en Nijverheidskunst). Met haar broers werd ze bekroond
voor hun inzending naar de Exposition Internationale des Arts et
Techniques dans la Vie Modern in Prijs in 1937. In werkschriften plakte Joanna schetsjes van kleine werkstukken en schreef zij de receptuur van de kleuren en de effecten die kleurmeningen gaven, en de uren die haar werkstukken haar kostte. Joanna hield veel dingen geheim voor haar assistente. Zo veranderde ze de namen van de emaillepoeders, zodat haar assistente niet achter de juiste naam kon komen. Toen Joanna in 1958 met ruzie het familiebedrijf Brom verliet nam de assistente, Annie van Schaick, haar plek over. Op 29 mei 1980 stierf Joanna. Zij bezat een bijzonder grote vakbekwaamheid voor emailleren, een edelsmid en kunstnijveraar. |
|
HILDEGARD BROM-FISCHER |
Hildegard
Fischer werd geboren in 1908 te Coesfeld en is gestorven in 2001 te
Utrecht. Zij was getrouwd met Jan Eloy Brom. Samen kregen zij een
dochter: Margaretha. Hildegard, Jan Eloy, broer Leo Hendrik en zus
Joanna Brom namen gezamenlijk in 1915 het atelier over van hun vader
Jan Hendrik Brom. Hildegard werkte als naaldkunstenares in het
atelier en maakte onder andere kerkelijke wandkleden. Voorbeelden
van haar werk hangen onder andere in:Groningen: Vaandel Vereniging Sint Vincentius a Paolo in de St. Jozefparochie. Utrecht: Wandkleden oa. Schutspatroon St. Maarten van Utrecht: In de grote trouwzaal in het Stadhuis. Leidschendam: Rouwantepedium en zeven altaargordijnen in de St. Martinuskerk. Wandkleed schutspatroon St. Maarten |
|
|
|
EINDE VAN HET TIJDPERK BROM |
| Door de slechte gezondheid van Leo Brom en bij gebrek aan een opvolger werd het atelier in september 1961 gesloten, op het moment dat onder invloed van de geest van het Tweede Vaticaanse concilie de vraag naar kerkelijk zilver drastisch verminderde |
Gedenksteen
in de voorgevel van het huis Drift 15 te Utrecht.Naast een afbeelding van het gereedschap van het ambacht van edelsmid en jaartallen 1856-1962 draagt de steen de volgende, door Jan Engelman gemaakte tekst: GETOGEN NAAR DE DOM / IS GERARD BARTEL BROM / JAN HENDRIK BIJ SINT JAN / VOLTOOIT ZIJN VADERS PLAN. / HET AMBACHT IS HERLEEFD / WAT JAN-ELOY DAN GEEFT / EN LEO SIERT HET LAND. / GESLOTEN WORDT DIT PAND. De steen werd geplaatst ter gelegenheid van het feit dat de edelsmid Leo Brom (als laatste van een geslacht edelsmeden, dat van 1898 tot 1962 in dit huis woonde en werkte) om gezondheidsredenen het ambacht moest staken, waarmee een einde kwam aan een jarenlange ambachtelijke traditie. |
|
VERKLARENDE WOORDENLIJST |
|
AMPUL: Klein kannetje met een wijde buik, meestal voorzien van een deksel, waarvan er twee worden gebruikt in de rooms-katholieke eredienst: een voor wijn en een voor water. Tijdens het opdragen van de mis worden uit de ampullen de wijn en het water in de kelk gegoten en wordt het water voorts uitgeschonken bij de symbolische vingerreiniging. Om ze van elkaar te onderscheiden zijn de meeste ampullen voorzien van de letters V (vinum) en A (aqua). Bij de kannetjes hoort sinds het Concilie van Trente een vaak bijpassend ampullenblad. Gotische ampullen hebben een kleine ronde buik, een lange dunne hals en een korte, naar beneden toe breed uitwaaierende voet. Ampullen uit de tweede helft van de achttiende eeuw hebben vaak een peervormig lichaam met getorteerde ribben. Soms duiken in de handel ampullen op, waarvan de letters verwijderd zijn en die dan melkkannetje worden genoemd. Ampullen worden gerekend tot het ongewijde zilver. BOEKBESLAG: Metalen sluitwerk, lijsten, hoekstukken, rugbekleding en frontversiering, waarmee boeken versterkt en versierd worden. Sommige onderdelen hebben ook praktisch nut, zoals het boekslot of de muiter waarmee een potlood aan een notitieboekje wordt vastgezet. Boekbeslag is meestal gegoten geciseleerd of gegraveerd. BRONS: Donker- of goudbruine koper-tinlegering, dikwijls aangevuld met een beetje zink, die door de eeuwen heen zeer veel gebruikt is. Brons wordt in de siersmeedkunst toegepast voor het vervaardigen van beelden, ornamenten en andere kunstvoorwerpen, zoals penningen. CIBORIE: Kelk met grote brede cuppa en deksel voor het uitreiken en bewaren van gewijde hosties. Dikwijls met een hoge stam, zodat de priester de ciborie goed kan vasthouden. De cuppa is aan de binnenkant verguld. Het deksel is meestal voorzien van een kruisje en de hoge stam wordt onderbroken door een nodus. Sinds de dertiende eeuw zijn ze in gebruik. De oudste cibories zijn cilindervormig en lijken op een cilindervormige pyxis op een stam. Pas vanaf de zestiende eeuw is de ciborie kelkvormig. Exemplaren uit de zeventiende en achttiende eeuw zijn versierd met geciseleerde (bijbelse) voorstellingen en vooral de voet is dan weelderig versierd. Het gangbare type heeft een ronde voet, een balustervormige stam, een klokvormige cuppa en een deksel. Vooral tijdens de barok waren de vormen zeer rijk. Vanaf de zestiende eeuw had het deksel vaak het aanzien van een opengewerkte kroon. Dat model verdween in de achttiende eeuw. De ciborie wordt gerekend tot het gewijde zilver. Andere benamingen voor ciborie zijn hostiekelk, ouwelkas of ouwelkan. CICILEREN: Techniek waarbij zilver wordt vervormd met ponsen waar de ciseleur met een ciseleerhamer op slaat, om de fijnere vormen in een voorwerp aan te brengen. Al naar gelang van de noodzaak van meer, minder of geen terugvering van het zilver, gebruikt de zilversmid een ondergrond van hout, dik karton, leer, een zandkussen, tin, lood of pek. Het ciseleren van gedreven vormen tot reliëfs geschiedt vrijwel altijd op een ondergrond van pek. Daartoe wordt het werkstuk op een pekkogel vastgesmolten, waarna de ciseleur met een schrooipons het te ciseleren reliëf met dunne lijntjes op de voorzijde uitzet. Vervolgens draait hij het voorwerp om en ciseleert hij het reliëf nauwkeurig met hamer en ponsjes uit. Tot slot bewerkt hij de omtrekken aan de voorzijde na (repousseren). Ciseleren werd al toegepast in het Maaslandse edelsmeedwerk. In de zeventiende eeuw hebben Johan Lutma en leden van de familie Van Vianen op dit gebied onovertroffen werk geleverd. Ciseleren wordt ook toegepast om het oppervlak van een gegoten werkstuk bij te werken of te verfijnen, in welk geval gesproken wordt van naciseleren. CLASSICISME: Stijlperiode die teruggrijpt op de kunst en architectuur uit de Griekse en Romeinse oudheid. Perioden van classicisme komen in de geschiedenis herhaaldelijk voor. De ontdekking van Herculaneum en Pompeji zorgde in de tweede helft van de achttiende eeuw voor een herleving van het classicisme die tot ver in de negentiende eeuw zijn invloed had. De periode van 1750-1815 wordt dan ook wel het neoclassicisme genoemd. Als ornament werd in die tijd veel gebruikgemaakt van parelranden, blad- en bloemguirlandes, strikken, medaillons en trofeeënbundels met wapens of muziekinstrumenten. DRIJVEN: Techniek waarbij met hamers en staken of met ponsen uit een plaat een ruimtelijk voorwerp of reliëf wordt gesmeed. De verschillende drijftechnieken zijn opdiepen, instuiken, planeren, uitdeuken en ciseleren. Bij drijven met hamers en staken wordt het zilver in de juiste vorm gehamerd. Daarna kan de zilversmid met ponsen fijnere vormen en gedetailleerde reliëfs in het voorwerp aanbrengen. EMAILLEREN: Het versmelten van metalen voorwerpen(soms gedeeltelijk )met een laagje gekleurd glas. Deze techniek is door goud- en zilversmedentoegepast om goud en zilverwerk te verfraaien. Het email wordt aangebracht, gedroogd en vervolgens gebrand. De emailleur kan verschillende e-mailtechnieken gebruiken zoals, Email Cloisonné: de tekening wordt gevormd door metalen strips te solderen op een metalen ondergrond en de ontstane vakjes met email te vullen en te branden in de oven. Email Champlevé: email aangebracht in uitgestoken velden die dor metaal van elkaar zijn gescheiden. Email de Basse Taille: variant op de champlevé techniek, waarbij kleurige, transparante email wordt aangebracht op een geëtste of geciseleerde ondergrond met wisselende diepten. Na het branden blijft de voorstelling zichtbaar in toonverschillen: het donkerst in de diepste delen lichter in de ondiepe delen. Email en Ronde Bosse: email is aangebracht op ruimtelijke vormen, zoals vazen en beeldjes zonder scheiding van metaal dam of –randen tussen de kleuren. Email des Peintres: het schilderen met zeer fijngemalen, hooggepigmenteerd email vermengd met olie of water op een witte of ivoorkleurige ondergrond met email, waarna de afbeelding wordt ingebrand. Vensteremail: email cloisonné zonder metalen ondergrond, zodat het email voor- en keerzijde van het voorwerp te zien is. Het gebruik van translucide (transparante) email voor vensteremail maakt dat er licht doorheen kan schijnen. De emailleur zaagt of soldeert een metalen raam, dat hij/zij op een plaatje mica legt. Daarna vult hij/zij de vakjes met email en brandt het in en oven. FACET: Geslepen vlakje van een siersteen of aan een metalen of glazen voorwerp. Bedoeld om de lichtweerkaatsing te beïnvloeden. Facetten worden op zilver vooral toegepast bij sieraden. GEWIJD ZILVER: Zilverwerk dat in de rooms-katholieke kerk gebruikt wordt in de eredienst en dat in aanraking komt met de hostie of miswijn. Het gewijde zilver omvat de kelk met pateen, de ciborie, de monstrans, de custodia en de pyxis. GILDE: Door de stedelijke overheid erkende vereniging van ambachtslieden, die het monopolie kreeg de beroepsactiviteit van haar leden te regelen. Ambachtsgilden ontstonden tijdens de middeleeuwen. In de veertiende en vijftiende eeuw stelden bijna alle stedelijke overheden het lidmaatschap van een gilde verplicht. De gilden voerden een protectionistisch beleid dat ook gold voor het platteland rond de steden. Alleen burgers van de stad konden lid van een gilde zijn. Het gildebestuur werd waargenomen door dekens, oudermannen, gezworenen, bus-, keur- of proef- meesters, die in principe jaarlijks werden verkozen. Zij voerden het toezicht op naleving van de gildevoorschriften en berechtten overtredingen daarvan. Sommige gilden bezaten een aanzienlijk vermogen en kostbaarheden, zoals gildezilver, schilderijen en gildepenningen. Rijkere gilden hadden bovendien een gemeenschappelijk graf, een eigen gildehuis of gildekamer waar de gildebroeders vergaderden (de morgen- of gildespraak) of de gildemaaltijd gebruikten. In sommige steden waren de goud- en zilversmeden lid van het smedengilde, in andere waren zij lid van het Lucasgilde (het gilde van kunstschilders en andere beoefenaars van de vrije kunsten). In grote steden werkten voldoende goud- en zilversmeden om een zelfstandig goud- en zilversmidsgilde op e richten. Keurmeesters van de goud- en zilversmidsgilden kregen van het stadsbestuur de taak het goud- en zilverwerk te keuren op gehalte. Bij verschillende goud- en zilversmidsgilden deelden de leden zekere zaken, zoals kwik, een pletmolen en toetsstenen en –naalden. In de Zuidelijke Nederlanden werden de gilden officieel in 1793 opgeheven en in de Noordelijke Nederlanden was dit in 1798. In beiden gebiedsdelen bleven de keurmeesters van de goud- en zilversmidsgilden provisioneel keuren totdat er nieuwe wetgeving werd ingevoerd. In de Zuidelijke Nederlanden werd een ambachtsgilde gewoonlijk ambacht, nering of natie genoemd en was een gilde een vereniging met een geestelijke, sociale of culturele doelstelling. GOTIEK: Stijlperiode in de Europese middeleeuwse kunst van circa 1150 tot circa 1500. De vormentaal van gotisch zilverwerk vertoont grote overeenkomsten en is afgeleid van de bouwkunst. Kenmerkend zijn architectonische elementen, zoals luchtbogen, traceringen, pinakels, frontalen of wimbergen, hogels en kruisbloemen. Zilverwerk in gotische stijl blijft voor een groot deel beperkt tot kerkelijk zilverwerk. Een andere naam voor gotiek is spitsboogstijl. GOUD: Diepgeel, zacht en zeer dicht metaal. Goud is een zeer goede geleider van warmte en elektriciteit, wordt niet aangetast door de lucht en is het meest plet- en rekbare metaal. Het lost goed op in koningswater en oplossingen van kaliumcyanide met waterstofperoxide. Met kwik vormt goud een amalgaam. Voor de meeste toepassingen is zuiver goud te zacht en daarom wordt het gelegeerd, meestal met koper en zilver. De kleur van deze legeringen wordt bepaald door de koper-zilververhouding. Veel koper geeft een rode kleur, veel zilver een lichtgele. GOUDSMID: Ambachtsman die uit goud, zilver en platina sieraden en kleine gebruiksvoorwerpen smeedt. Daarnaast behoort het repareren van antieke sieraden tot de werkzaamheden van de goudsmid. De goudsmid maakt gebruikt van handgereedschappen, zoals hamers, tangen, pincetten en vijlen en een soldeerapparaat. De goudsmid werkt vooral zittend aan een stavelij. Het verschil tussen goudsmid en een zilversmid wordt bepaald door de technieken en de gereedschappen die hij gebruikt en niet door het materiaal dat hij bewerkt. GRAVEREN: Veelgebruikte techniek, waarbij een steker in metaal ornamenten, voorstellingen, letters of cijfers worden aangebracht door materiaal weg te steken. Het graveren gebeurt met verschillende graveersteker. Het is ideaal om een achtergrond of schaduwpartij mee aan te brengen. Ambachtslieden die in zilver graveren of stempels vervaardigen voor de zilverindustrie zijn de stempelsnijder en de graveur. KELK: Voorwerp op een voet waarvan de cuppa is afgerond of naar onderen puntig toeloopt en dat dient om uit te drinken. Kelken zijn meestal voor liturgisch gebruik, zoals de miskelk, offerkelk, lekenkelk of avondmaalkelk. In de rooms-katholieke kerk wordt de kelk gerekend tot het gewijde zilver. KOPER: Goed plet- en smeedbaar metaal, dat als bijzet wordt toegepast in zilverlegeringen en rood goud. Ook in legeringen van verschillende soorten imitatiezilver is koper verwerkt. MEDAILLON: Meestal rond, ovaal- of hartvormig sieraad dat een klein portret, een haarvlecht of een relikwie bevat. Het wordt gedragen aan een halsketting of aan een horlogeketting. Een medaillon dat om de hals gedragen wordt, heet in de Zuidelijke Nederlanden soms een slot. MONSTRANS: Houder, waarin achter glas de geconsacreerde grote hostie of relieken van heiligen aan de gelovigen worden getoond. De hostie wordt geklemd in een maanvormig standaardje (lunula). Middeleeuwse monstransen zijn veelal vervaardigd uit verguld koper, sommige van zilver en enkele van goud. In de zeventiende en achttiende eeuw werden de meeste in zilver uitgevoerd. De vroegste monstransen hebben de vorm van een lantaarn op een hoge voet met een cilindervormig glas. Hieruit ontwikkelde zich de torenmonstrans, die zijn vorm ontleende aan de gotisch architectuur. Tijdens de barok onderging de monstrans een gedaante verwisseling. De hostie werd sterker benadrukt door naar alle zijden uitschietende stralen (zonnemonstrans). De monstrans wordt gerekend tot het gewijde zilver. Een andere naam voor monstrans is ostensorium. NEOGOTIEK: Stijlstroming die teruggreep op voorbeelden uit de gotiek en die halverwege de negentiende eeuw opkwam. Deze stijl werd in Nederland gepropageerd door koning Willem II en in rooms-katholieke kring geadopteerd voor kerkelijk zilverwerk. Tot in het begin van de twintigste eeuw behield deze stijl zijn populariteit. NODUS: Zwelling in de stam van een kelk of ciborie. Gedurende de middeleeuwen waren nodi rond, tijdens de renaissance werden ze balustervormig en veelal versierd met engelenkopjes. PROFAAN ZILVER: Zilverwerk zonder religieuze context, zoals voorwerpen voor huishoudelijk gebruik en sieraden. VERGULDEN: Het bedekken van een materiaal met een dunne laag goud als versiering of ter bescherming van invloeden van buitenaf. Om een voorwerp te vergulden beschikken goud- en zilversmeden over drie methoden. De eerste is het aanbrengen van bladgoud met behulp van een plakmiddel. De tweede is het vuurvergulden, waarbij goudamalgaam op het te vergulden voorwerp wordt aangebracht. De derde en tegenwoordig meest gebruikte techniek voor het vergulden van metalen voorwerpen is een galvanisch proces. Hierbij vindt het vergulden plaats in goudzoutbaden. Vergulden van zilver gebeurt om verschillende redenen. Ten eerste lijkt het voorwerp op goud, terwijl het in werkelijkheid gemaakt is van minder kostbaar materiaal. Ten tweede kan aan gerepareerde sieraden die deels een andere kleur hebben weer een egale goudkleur worden gegeven en ten derde hoeft verguld zilverwerk niet te worden gepoetst. In de rooms-katholieke kerk moeten tenminste die delen van het zilverwerk verguld zijn, die in contact komen met de gewijde hostie, wijn en olie. ZILVER: Zacht, uitermate glanzend metaal. In zuivere vorm is het gemakkelijk plet- en smeedbaar en heeft een witte glans. Zilver is een van de metalen die het langst bekend is. De Feniciërs, Egyptenaren en Babyloniërs gebruikten al zilver als betaalmiddel, voor sieraden en voor luxe gebruiksvoorwerpen. Door de eeuwen heen is zilver het meest gebruikte metaal voor munten, maar halverwege de twintigste eeuw is daar een einde aan gekomen. Zilver wordt vanwege zijn chemische en fysische eigenschappen (het geleidt goed warmte en elektriciteit en het heeft de hoogste optische reflectie) gebruikt in de industrie en bij de vervaardiging van spiegels. ZILVERSMID: Ambachtsman die uit zilver (maar ook uit goud) voorwerpen van enige omvang smeedt. Een zilversmid die corpuswerk, zoals schalen, kandelaars tafelgerei, theepotten, tafelzilver, kelken, schalen en kerkelijke voorwerpen vervaardigt heet een grootwerker. Hij die kleine voorwerpen maakt, zoals lepeltjes, doosjes, knopen, haken en ogen en naaigerei, heet een kleinwerker. Daarnaast behoort het repareren van antieke zilveren voorwerpen tot de werkzaamheden van de zilversmid. Het gereedschap van de zilversmid bestaat uit een aambeeld, staken en hamers. Het verschil tussen een goudsmid en een zilversmid wordt niet zozeer bepaald door het materiaal dat hij bewerkt, maar door de technieken en de gereedschappen die hij gebruikt. |
|
BRONNEN |
Wikipedia (http://nl.wikipedia.org ) Stichting Aartsbisschoppelijk Museum (http://aartsbisschoppelijkmuseum.blogspot.com) Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (http://website.rkd.nl ) Kunstbus (http://www.kunstbus.nl ) Instituut voor Nederlandse geschiedenis (http://www.inghist.nl ) Collectie Utrecht (http://www.collectieutrecht.nl ) Het Utrechts archief (http://www.hetutrechtsarchief.nl ) Het geheugen van Nederland (http://www.geheugenvannederland.nl ) Erasmusplein jaargang 18, 2007,nr.2 – Uitgave van Radboud Universiteit Nijmegen. Het Nederlandse sieraad in de 20ste eeuw – Marjan Unger Het Zilverlexicon van JanJaap Luijt Diverse teksten op het internet
|
|
Fotobijlage en werk van de Edelsmederij Brom |
Ontvangstkamer |
![]() Toonkamer |
Modellenkamer |
Zilversmederij |
Polijstafdeling |
![]() Graveurs en drijvers |
![]() Gieterij en smelterij |
|
Ontwerpen van Edelsmederij Brom: |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
relevante informatie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|